Blog

reflexen

Spinale Galant Reflex (SGR)

Symptomen bij een nog aanwezige Spinale Galantreflex

Deze reflex is aanwezig bij de geboorte en moet tussen 3 en 9 maanden na de geboorte geremd zijn. Als deze nog aanwezig is kan dat de volgende problemen geven:

  • Niet stil kunnen zitten
  • Aandacht erbij houden
  • Concentratie
  • Houding
  • Soms bedplassen na het 5e levensjaar
  • Kan eventueel bijdrage aan een scoliose van de wervelkolom
  • Auditieve verwerkingsproblemen
  • Slecht lage tonen kunnen horen

Ook de spinale galant reflex (primitieve reflexen) kan goed behandeld worden in het Reflex Inhibitie Programma. Dit programma kan alleen van start gaan als er een “cluster” van primitieve reflexen aanwezig zijn.

Als de NDT-INPP therapeut dit bepaald heeft kan na het grote neurologische onderzoek van INPP een individueel programma samengesteld worden. Het  kind krijgt een oefening mee die speciaal voor het kind ontworpen is. Omdat de remming (inhibitie) dan opnieuw ingezet wordt krijgen de hersenen een tweede kans. De functie is tot zijn recht gekomen ook al is deze later vervuld. De reflex is na het oefenprogramma niet meer in de testprocedure fysiek zichtbaar.

De Spinale Galant reflex is ook zeer belangrijk bij het horen in het bijzonder bij lage tonen. Veel lage tonen worden overgedragen door ‘botconductie’.

De spinale Galant reflex kan door de juiste reflexintegratie en de bijbehorende oefening geremd worden, hierdoor heeft het kind geen hinder meer door de gevolgen van de spinale Galant reflex.

Terugtrekreflex

Functie: Deze reflex zorgt ervoor dat je meebeweegt met prikkels en weggaat van contact. In sommige gevallen zorgt het lijf zelf voor het weggaan van contact door flauw te vallen, te hyperventileren, of door absences te hebben. Van buitenaf gezien kan het lijken of hij niet reageert op allerlei prikkels, ook niet op sterke prikkels of aangrijpende gebeurtenissen. Of de persoon heeft het altijd druk druk druk en heeft daardoor (onbewust) een excuus om geen contact te hoeven hebben.

Niet geïntegreerd: Onder invloed van een ongeremde terugtrekreflex kan iemand telkens (op het laatste moment) afzeggen. Ook zal hij het vaak lastig vinden om zich te verdedigen. Deze reflex is soms moeilijk te herkennen omdat het veelal om subtiele gedragskenmerken gaat, maar die heel wat ellende kunnen veroorzaken.

Kenmerken

  • Uit de weg gaan van contact (mensen aanspreken, een drempel over moeten om te telefoneren), het gevoel hebben niet gezien of gehoord te worden.
  • Confrontatie mijdend gedrag
  • Moeite met eigen grenzen aangeven;
  • Moeite met ‘nee’ zeggen, overal ‘ja’ op zeggen.
  • Moeite hebben met innemen van eigen ruimte, letterlijk en figuurlijk. Het gevoel hebben telkens maar genoegen te moeten nemen met de ruimte die een ander hem laat en niet in staat zijn om dat beter in balans te brengen.
  • Zichzelf wegcijferen, voortdurend ‘in dienst te staan van anderen’, maar daar tegelijkertijd erg onder lijden.
  • Het lastig vinden om zijn mening te uiten.
  • Flauwvallen, absences, hyperventilatie, black-outs
  • Drukdrukdruk zijn, (op het laatste moment) afzeggen, eeuwig te laat komen
  • Gevoel van machteloosheid hebben,
  • Gevoel dat een heleboel telkens nèt niet lukt.
  • Wedstrijden, examens en competitieve of prestatiegerichte activiteiten het liefst willen vermijden
  • Veelvuldig dagdromen
  • Het gevoel niet te worden gezien of gehoord

Moro reflex

Functie: De reflex zorgt voor een reactie op zintuigelijke prikkels. Als eerste treedt een soort verstarring op , waarbij de persoon verlamd kan zijn van angst. Vervolgens komt adrenaline vrij waardoor actie mogelijk wordt. Een baby zal zijn spieren in zijn nek, armen en benen aanspannen waardoor zijn ledematen uitslaan en hij zal gaan huilen. De Mororeflex wordt ook wel de vlucht- vechtreflex genoemd. Bij gevaar zal vluchten of vechten de reactie zijn. Dat kan zich ook uiten in huilen of een uitbarsting van woede.

Bij een groter kind of een volwassene is de uiterlijke reactie op zintuigelijke prikkels soms niet zichtbaar, maar van binnen gebeurt van alles. Er komt een stoot van de stresshormonen, adrenaline en cortisol vrij. De bloedvoorziening naar de lange spieren in armen en benen krijgt voorrang, wat ten koste gaat van onder meer de bloedvoorziening voor spijsvertering, het afvoeren van afvalproducten uit spieren en cellen en de cognitieve werking van het brein.
De bijnieren (producenten van adrenaline) raken uitgeput, voedingsstoffen worden niet goed opgenomen, afweerreacties treden op (eczeem, allergieën). Bloedsuikers worden sneller verbrand dan bij anderen, waardoor stemmingswisselingen kunnen ontstaan en de (leer-) prestaties kunnen worden beïnvloed.
Adrenaline en cortisol spelen een belangrijke rol in de afweer tegen allergene stoffen en infecties. Wanneer de productie van deze twee hormonen door de opgewekte mororeflex voortdurend hoog is, kunnen zij hun functie bij de afweer niet goed vervullen. Daardoor hebben kinderen met een ongeremde mororeflex vaak last van keel, neus oor- (KNO-) problemen, allergieën of zij reageren te sterk op bepaalde medicijnen.
Door uitputting van het hele fysieke systeem kunnen van verloop van jaren burn-outklachten ontstaan.

Afvalstoffen in het lichaam die niet goed worden afgevoerd onder invloed van de Mororeflex kunnen tot gevolg hebben dat hoofdpijn ontstaat, maar ook jeuk, lever-, galblaas- en darmproblemen kunnen het gevolg zijn. Wanneer de spijsverteringsorganen de afvalstoffen onvoldoende kunnen afvoeren, helpen de longen mee, maar als ook dat onvoldoende lukt kunnen ook luchtwegproblemen zoals astma of bronchitis ontstaan.

Niet geïntegreerd: Wanneer de Moro reflex ongeremd aanwezig is of onvoldoende ontwikkeld is, zijn een of meerdere zintuigen vaak erg gevoelig, waardoor iemand te sterk op bepaalde prikkels zal reageren. Plotseling geluid, licht, een plotselinge beweging, een verandering van houding, pijn, plotselinge aanraking, geur of bepaalde smaken kunnen de Moro reflex op onverwachte momenten opwekken. Het kind is voortdurend alert en staat voortdurend op ‘scherp’. Hij bevindt zich voortdurend op randje van vluchten of vechten en dat houdt zichzelf in stand: door de reflex wordt de productie van stresshormonen adrenaline en cortisol gestimuleerd, maar door deze hormonen neemt ook de gevoeligheid van de zintuigen toe, waardoor hij extra veel zal waarnemen. Dat leidt voortdurend af, zodat dit deze kinderen en volwassenen moeite hebben met leren, concentreren en een taak afmaken.

Wanneer de zintuigen zo scherp waarnemen zijn twee reactie mogelijk: angst of overactiviteit c.q. agressie. In geval van angst zal hij zich uit situaties ’terugtrekken’, hij kan zich moeilijk aanpassen en kan niet gemakkelijk affectie accepteren of tonen. Bij overactiviteit is het kind vaak agressief of prikkelbaar, hij zal moeite hebben met het lezen van lichaamstaal en wil situaties domineren. Bij beide reacties hoort manipulatief gedrag, omdat deze kinderen grip willen houden op hun emoties.

Kenmerken:
1.  Een of meerdere zintuigen die erg gevoelig zijn en zeer goed kunnen waarnemen.
2.  Lichtgevoeligheid (bijv. moeite met het onderscheiden van zwarte letters en tekens op wit papier, snel moe worden onder TL-verlichting
3.  Overgevoeligheid voor geluiden (ook: moeite hebben met zich af te sluiten voor achtergrondgeluiden zoals een tikkende klok, druppelende kraan, brommen van elektrische apparaten)
4.  Zeer goed kunnen ruiken, soms zo goed dat de geur van mensen in de nabijheid al teveel is. De reactie kan zijn dat deze kinderen zich afzonderen van anderen om die geuren te vermijden
5. Gevoelig zijn voor aanraking. Een hekel hebben aan (onverwachte) aanraking
6. Allergieën, auto-immuunziektes (bijv. astma, eczeem, veelvuldige KNO-problemen)
7. Voortdurend afgeleid zijn, slechte concentratie, moeite met afmaken van taken, lees- en leerproblemen door afleiding
8. Burn-outklachten bij volwassenen
9. Schrikachtig zijn, ook: nachtmerries
10. Plotselinge woede uitbarstingen of huilbuien
11.Slecht evenwicht en slechte coördinatie
12. Ogen worden naar de omtrek van een voorwerp getrokken, waardoor het binnenste moeilijker kan worden waargenomen (moeite met waarnemen van letters en woorden op bladzijden bij lezen!)
13. Ongunstige reacties op medicijnen
14. Moeite hebben met verandering of verrassing. Slecht kunnen aanpassen (autisme gerelateerde stoornissen zoals PDD NOS of Asperger)
15. Snel wisselende bloedsuikerspiegel (snelle stemmingswisselingen, slecht concentratievermogen)
16. Angsten die schijnbaar geen verband houden met de werkelijkheid
17. Heftige reacties op prikkels
18. Stemmingswisselingen
19.Gespannen spieren (lichamelijke verharding)
20.Moeite met accepteren van kritiek
21.Afwisselend hyperactief en ernstig vermoeid zijn; uitputting c.q. weinig uithoudingsvermogen hebben (ook: chronische vermoeidheid ME)
22. Moeite met beslissen
23. Lage zelfwaardering (onzekerheid, afhankelijkheid, behoefte om omstandigheden te controleren, manipuleren of beïnvloeden)
24. Hoofdpijn, jeuk, lever-, galblaas-, darmproblemen. Voortdurende brom of piep in het oor hebben.

Palmaire reflex (Babkin Palmomental)

Functie: Wanneer de handen licht worden aangeraakt, openen de handen, gaat de mond open en kan gaan ‘zuigen’ en wordt het spijsverteringskanaal in werking gezet. Ook omgekeerd werkt het: wanneer de mond zuigt, sluiten de handen of zij maken een knedende beweging. Bij een ongeremde Palmaire reflex wordt de fijne (hand-)motoriek- en de mondmotoriek (spraak en articulatie) ongunstig beïnvloed. Duim en vingers kunnen moeilijk onafhankelijk van elkaar bewegen.

Niet geïntegreerd: Wanneer de Babkin- reflex ongeremd aanwezig is gebleven is er stress op de mondspieren, kaakspieren, spieren in de keel, het spijsverteringskanaal en de handspieren bij een inspanning. Spreken wordt bemoeilijkt doordat de tong eigenlijk op ‘zuigstand’ in de mond wil zijn. Om die beweging te onderdrukken gaan kinderen soms hard praten, met een geknepen stem, overmatig articuleren of binnensmonds praten. Soms hangt hun mond steeds open of hebben ze moeite met kauwen en slikken. Wanneer een kind met zijn handen bezig is, doet de tong mee: het puntje piept steeds naar buiten of duwt steeds in de wang.

Het werken met de handen is vaak stressvol. Het doseren van kracht in de handen is lastig; vaak wordt teveel kracht gezet. Het kind (maar ook volwassenen) kan proberen het werken met de handen te vermijden, bijvoorbeeld door smoesjes te verzinnen of steeds bij anderen te kijken hoe zij het doen, ten koste van zijn eigen werk..

Doordat de mond zo actief is, wordt het spijsverteringsstelsel aangezet zonder dat er voedsel is. De maag produceert steeds maagzuur, maar reageert niet adequaat wanneer er echt voedsel komt. Voedsel wordt dan niet goed verteerd.De kaken kunnen ook ’s nachts gespannen blijven, wat kan leiden tot tandenknarsen tot het afbreken van tanden aan toe.

Wanneer er door de ongeremde Babkin reflex te veel spanning op de kaken en kaakspieren staat, kunnen de schedelbeenderen en daardoor de ruggengraat en het bekken minder goed bewegen. Scheefstand van het bekken en rugpijnen die daardoor ontstaan, verdwijnen vaak wanneer de reflex onder controle is gebracht: het bekken komt recht te staan en daarmee ook de ruggengraat. Dat kan leiden tot het gevoel van weer gecenterd zijn in jezelf.
Bij sterke emotionele gebeurtenissen of een stoot tegen het hoofd, spannen de kaakspieren zich als een soort verdediging. Samen met de aanwezigheid van een ongeremde Palmreflex* kan dat leiden tot stoornissen in de spijsvertering en in het ontplooien van de persoonlijkheid.

Kenmerken

  • Slechte handvaardigheid en fijne handmotoriek. Kracht in de handen moeilijk kunne doseren.
  • Slechte pincetgreep (witte knokkels bij schrijven, stevig vasthouden van schrijfgerei)
  • Slechte spierbeheersing voor in de mond, daardoor spraakstoornissen, slechte mondmotoriek, slechte articulatie. Te hard praten, overmatig articuleren, open hangende mond, geknepen stem, moeite met slikken en/of kauwen.
  • Gevoelige handpalmen
  • Slechte spijsvertering
  • Scheefstand van het bekken of de rug
  • Gespannen kaken of kaakspieren
  • Bij schrijven of tekenen trekt de mond, piept de tong uit de mondhoek of doet mee in de wang. Ook veelvuldig kwijlen kan duiden op de aanwezigheid van een ongeremde Palmreflex
  • Tandenknarsen

*) Scheefstanden van bekken of rug kunnen ook door andere reflexen, w.o. de ruggengraat bekken reflex) veroorzaakt worden.

Asymmetrische Tonische Nekreflex (ATNR)

Functie: Bij deze reflex worden de arm, de hand en het been gestrekt aan de kan waar het hoofd naartoe wordt gedraaid. De arm en het been aan de kant van het achterhoofd ontspannen tot in (lichte) buigstand. Wanneer deze reflex ongeremd aanwezig blijft, dan zal het kind in veel van zijn bewegingen gestoord worden doordat zijn evenwicht en zijn links-rechtscoördinatie verstoord zijn. Kruipen is lastig, bij lopen zal het zijn evenwicht gemakkelijk verliezen en ook schrijven, lezen en spellen is moeilijk. De kant waar het hoofd naartoe draait, of zelfs de richting waar de ogen naar kijken!, wil zich immers strekken en de andere kant wil ontspannen. Deze kinderen hebben moeite met het passeren van de middellijn, zowel fysiek als bij de verwerking van informatie via hun ogen:

Niet geintegreerd: Lopen, gooien, vangen, sporten, het ziet er vaak wat houterig en onevenwichtig uit. Tijdens het lopen willen de arm en het been aan dezelfde kant naar voren bewegen, dus rechterarm en rechterbeen, in plaats van kruislings rechterarm en linkerbeen. Jonge kinderen kunnen moeite hebben met het overpakken van een voorwerp van hun ene naar hun andere hand, of iets met beide handen tegelijk doen of pakken. Zijn lijf wil eigenlijk maar met één kant tegelijk iets doen. Bij vangen of schoppen van een bal, vooral als die schuin van voren komt, ziet het kind het vertraagd en zal hij net te laat zijn of missen.

Soms ontwikkelen deze kinderen geen voorkeursarm of been (rechts- of linkshandig zijn). Dat is lastig, want dan moet hij bij elke beweging bewust nadenken over welke kant hij gebruiken zal. Wat ten koste gaat van snelheid en vloeiend zijn van die beweging. Ook deze reflex levert een kind veel stress op en het onderdrukken van de reflex om ‘normaal’ te kunnen functioneren, kost hem onnodig veel inspanning en energie.

Minder zichtbaar maar met soms flinke gevolgen, geldt de verstoorde links-rechtscoördinatie ook voor de oogbewegingen van het kind: het passeren van de middellijn is vertraagd en moeilijk. Informatie via de ogen komt een fractie van een seconde na elkaar binnen of wordt ongelijkmatig verwerkt. Dat is vervelend als je een bal moet vangen, maar belemmert ook het schrijven, spellen en lezen. Dan moeten zijn ogen immers over de middellijn van de bladzijden en hij zal zijn hoofd moeten draaien van het schoolbord, naar zijn schrift en/of naar zijn boek. Kinderen met dyslexie of dyscalculie hebben vaak een ongeremde ATNR.

Het handschrift van mensen met een ongeremde ATNR is vaak slordig, hoekig of houterig. Ook dat wordt veroorzaakt doordat de arm en de hand (en het been) willen strekken aan de kant waar het hoofd naartoe is gedraaid. Het kost zo’n kind bovenmatig veel inspanning om toch zijn pen te blijven vasthouden en zijn arm te buigen om te kunnen schrijven of om de bladzijden van zijn boek om te slaan. Die inspanning is zo groot dat hij daar al zijn aandacht voor nodig heeft, wat weer ten koste gaat van het opnemen van de inhoudelijke informatie en de lesstof die hem worden aangeboden. Omgekeerd wordt hij door diezelfde benodigde fysieke inspanning afgeleid bij het op papier krijgen van zijn ideeën. Dat zal niet zelden leiden tot grote frustratie omdat hij het immers wel weet en het heel goed kan vertellen, maar het niet schriftelijk verwoord krijgt. Bij schrijven is het been aan de kant waarmee geschreven wordt vaak gestrekt, om een stoelpoot geslagen of het kind zit erop.

Het niet goed samenwerken van linker en rechterdeel van het brein kan ook leiden tot zwart-wit denken, waarnemen of voelen. Soms kan iemand alleen maar rationeel denken, anderen kunnen alleen vanuit emotie redeneren.

Kenmerken

  • Moeite met lezen, schrijven, spellen of rekenen
  • Uit evenwicht raken of duizelig worden bij het draaien van het hoofd (bijv. houterig, onevenwichtig lopen, moeite met (bal-)sporten, veelvuldig stoten of vallen, erg vermoeid raken tijdens autorijden)
  • Oogproblemen zoals uitdroging, veroudering of vitaminetekorten
  • Arm en been aan één zijde gelijktijdig willen bewegen (bijv. moeilijk kunnen huppelen, been om stoelpoot geslagen bij schrijven, moeite met zwemmen, als baby niet hebben gekropen)
  • Verkrampte spieren en/of pijn in nek, rug, armen en benen
  • Geen voorkeurszijde hebben (bijv. schrijft links, maar voetbalt rechts, of wisselt telkens)
  • Slordig, hoekig handschrift (ook: potloodpunten breken steeds af, pen te hard op papier, witte knokkels door te strak vasthouden van pen)
  • Moeite met op papier zetten van ideeën
  • Weinig ruimtelijk inzicht hebben
  • Zwart-wit denken; sterk vanuit ratio of vanuit emotie of snelle wisseling daartussen

Tonische Labyrint Reflex (TLR)

Functie: Bij deze reflex wil het lichaam naar voren ineen zakken wanneer het hoofd naar voren wordt gebogen. De armen, benen en rug willen strekken wanneer het hoofd naar achteren buigt. Een kind met een ongeremde TLR zal niet goed kunnen kruipen.

Niet geïntegreerd: Een ongeremde TLR veroorzaakt problemen met de balans en verdeling van spiertonus door het hele lichaam. Bewegingen van het hoofd beïnvloeden de spiertonus, hij kan moeilijk zijn spiertonus direct aanpassen aan zijn beweging, waardoor het evenwichtscentrum in de war raakt. Daardoor kan hij zich moeilijk focussen met zijn ogen. Zijn ruimtelijke en richtingsgevoel worden bemoeilijkt en hij kan moeilijk diepte, snelheid en afstand goed inschatten. Hij kan de zwaartekracht slecht voelen. Een kind met een ongeremde TLR kan zich moeilijk oriënteren omdat een vast punt in de ruimte ontbreekt. Hij weet niet goed waar hij in de ruimte is. Informatie via zijn ogen over waar hij in de ruimte is, is onbetrouwbaar. Hij vindt het moeilijk om boven, onder, links, rechts, voor en achter te onderscheiden. Soms uit zich dat ook op school en zal hij bijvoorbeeld vaak in spiegelbeeld schrijven. Het gebrek aan oriëntatievermogen en het ontbreken van een referentiepunt geldt ook voor tijd. Tijd wordt een loos begrip. Dit kind zal veel moeite hebben om binnen de tijd iets af te hebben, of om op tijd te komen. Een lichaam met een ongeremde TLR wiebelt van voor naar achter onder invloed van de hoofdbewegingen. Om dat tegen te gaan compenseert het lichaam door verstarring: voorovergebogen, of juist achterover (te veel) gestrekt. En dat geeft rugklachten, spierkramp en afvalstoffen die moeilijk afgevoerd kunnen worden. Bovendien kost die houding en het compenseren veel inspanning, wat leidt tot vermoeidheid.

Een ongeremde TLR en daardoor de gebrekkige beheersing van de nekspieren, kan onbewust het gevoel geven dat het hoofd ‘los’ aan de romp zit. En dat kan met (doods-)angst gepaard gaan, want zonder hoofd kun je niet leven. Kinderen met een ongeremde TLR kunnen dan ook erg angstig zijn, schijnbaar zonder reden. Ook deze reflex kan aan één kant sterker ongeremd zijn dan aan de andere kant.

Kenmerken TLR:

  • Slecht kunnen focussen met de ogen. Problemen met zicht. Problemen met overschrijven van informatie van het schoolbord naar schrift. Soms wordt (onnodig) een bril voorgeschreven, of wordt het kind dichter bij het schoolbord gezet.
  • Hoogtevrees, een hekel hebben aan open bruggen en open trappen, juist ook bij het naar boven gaan.
  • Wagenziekte
  • Moeite met zwemmen
  • Een hekel hebben of moeite met sporten in z’n algemeenheid
  • Angsten, ook doodsangst
  • Slechte (gebogen) houding. Schouders buigen steeds meer naar voren bij langer staan (bij een sterke ongeremde TLR naar de buikzijde). Verkramping of verstarring in een naar voren gebogen houding.
  • Slechte houding, stramme rug en nek, houterige gang (bij een sterke ongeremde TLR naar de rugzijde)
  • Rugklachten door verkramping of verstarring
  • Veelvuldig op de tenen of de voorvoet lopen en staan
  • Niet kunnen kruipen, wel tijgeren
  • Problemen met balans en verdeling van spiertonus door het hele lichaam. Slecht evenwicht.
  • Gebrek aan richtingsgevoel en moeite met inschatten van afstand, diepte en snelheid
  • Slecht tijdbesef, veelvuldig te laat komen, moeite met nakomen van tijdafspraken

Symmetrische tonische nekreflex (STNR)

Functie: De STNR is nog niet bij de geboorte aanwezig. Deze reflex hoort formeel gezien niet tot de primaire reflexen. De STNR zorgt ervoor dat de armen buigen en de benen strekken bij buiging van het hoofd naar voren. Bij buiging van het hoofd naar achteren willen de armen strekken en de benen buigen.
Kinderen met een ongeremde STNR zullen nauwelijks kruipen op handen en knieën. Billenschuiven, overslaan van de kruipfase of een berengang (met rechte armen en benen) is hoe zij zich vaak voortbewegen.

Deze reflex speelt mee bij het vermogen om met de ogen scherp te kunnen blijven zien wanneer hij afwisselend van ver weg naar dichtbij en vice versa kijkt. Een ongeremde STNR bemoeilijkt het zicht in het vlak boven-onder, zoals de ATNR dat doet met links-rechts. Ook door een ongeremde STNR is de oog-handcoördinatie bemoeilijkt.

Een kind met een ongeremde STNR zal vaak een voorovergebogen houding hebben en er wat sloom uit zien als hij loopt. Als hij schrijft of leest aan tafel (hoofd naar voren), dan zal hij steeds dieper buigen tot hij bijna met zijn neus op zijn tafel ligt. Zijn benen zullen dan vaak gestrekt zijn. Tijdens de les, bij het omhoog op het schoolbord kijken en omlaag naar zijn boek of schrift lijkt het of hij voortdurend meer onderuit zakt en van zijn stoel afschuift. Door het onderdrukken van deze reflex wordt de aandacht van de lesstof afgeleid en zal dit kind geregeld met aandachts- en concentratieproblemen te maken hebben.

Haren kammen, netjes en met mes en vork eten, sporten en netjes schrijven zullen bij een kind met een ongeremde STNR niet snel favoriet zijn.Er zijn studies die er op lijken te wijzen dat een ongeremde STNR een rol speelt bij veel kinderen met ADHD en ADD.

Kenmerken

  • Niet kruipen, vaak wel kruipen overslaan en gelijk staan. Of deze kinderen lopen in berengang op handen en voeten, of schuiven op hun billen.
  • Aan tafel of in de klas voorover zakken
  • Slome manier van lopen
  • Slordig eten, slordig schrijven
  • Onhandig zijn, een hekel hebben aan sport
  • Niet scherp kunnen zien bij snel afwisselend kijken naar schoolbord en boek op tafel
  • Moeite met zwemmen
  • Schuift van zijn stoel af bij werk waarbij afwisselend omhoog en omlaag moet worden gekeken.

Door deze website te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. Meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies' om u de beste website ervaring te geven. Als u doorgaat met het gebruik van deze website zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op 'Accepteren' hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten